Terug
Gepubliceerd op 22/12/2025

Besluit  Gemeenteraad

do 18/12/2025 - 19:00

Belasting op de tweede verblijven - 2026 – 2031

Aanwezig: Jef Verbist, Voorzitter
Danny Vangoidtsenhoven, Burgemeester
Kamil Muyldermans, Rani Van Sever, Philippe Vervoort, Karin Devyver, Herman Depré, Schepenen
Katia della Faille de Leverghem, Gerda Vandenplas, Nicole Vanweddingen, Dominik Verhaegen, Jeroen Verheyden, Greta Veeckmans, Sofie Pletinckx, Ewoud Van der Auwera, Julie Vandenbossche, Ellen Camp, Inge Ronsmans, Sophie Tack, Valérie Tanghe, Raadsleden
Caroline Peters, Algemeen directeur
Verontschuldigd: Johan Deconinck, Raadslid

De belasting op tweede verblijven wordt vastgesteld op 1.500 euro per tweede verblijf.

Het bedrag is gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index en stemt overeen met de index van december 2025. Het bedrag wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat.

De opbrengst van deze belasting wordt voor het aanslagjaar 2026 geraamd op 180.000,00 euro.

Voorgeschiedenis

De beslissing van de gemeenteraad van 29 september 2022 – belasting op de tweede verblijven - 2022 - 2025.

Feiten en context

De noodzaak om omwille van de continuïteit een nieuw reglement goed te keuren nu het bestaande reglement dat werd goedgekeurd door de gemeenteraad op 29 september 2022 afloopt op 31 december 2025.

Argumentatie

Niet permanent bewoonde eigendommen geven aanleiding tot een grotere zorg voor de veiligheid.

De belasting op tweede verblijven is bovenal een forfaitaire weeldebelasting op het gebruik van een luxegoed, ongeacht het inkomen van de belastingplichtige, en ongeacht de grootte van het verblijf.

Het beschermen van het wonen voor eigen inwoners is een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente. Dit om boeiend en coherent sociaal leven in de gemeente te kunnen behouden en niet geconfronteerd te worden met woningen die langere tijd onbewoond zijn.

In het kader van het woonbeleid hebben de belasting op leegstand en de belasting op tweede verblijven onderscheiden doelstellingen, maar deze dienen in samenhang toegepast te worden. De gemeente acht het wenselijk te voorkomen dat de belasting op tweede verblijven wordt aangewend als ontsnappingsroute voor leegstaande woningen en zo de leegstandsaanpak zou kunnen ondergraven. De gemeente heeft daarom beslist om het tarief van de belasting op tweede verblijven te verhogen om meer in lijn te brengen met de belasting op leegstand; bovendien werd vastgesteld dat de belasting op tweede verblijven al meerdere jaren niet verhoogd werd.

Er wordt vrijstelling van belasting op tweede verblijven verleend aan de eigenaars van assistentiewoningen, daar zij verplicht zijn een terbeschikkingstelling te doen van de flat aan de beheersinstantie van de Groep van assistentiewoningen. Assistentiewoningen maken deel uit van een woonzorgconcept dat onder toezicht staat van het Agentschap Zorg en Gezondheid en dus onder strikte voorwaarden maar kan bewoond worden door een beperkte groep van mensen. Zo kan bijvoorbeeld de eigenaar er zelf niet gaan wonen voor hij de leeftijd van 65 jaar bereikt heeft en moet hij onder andere voldoen aan de voorwaarden van de zorgdiensten die de assistentiewoning biedt. Het ligt dan ook niet in de macht van de eigenaar of de flat al dan niet bewoond is.

De financiële toestand van de gemeente rechtvaardigt het heffen van deze belasting.

Financiële gevolgen

De belastingen zijn opgenomen in het meerjarenplan om aan de voorwaarden tot het bereiken van het financieel evenwicht te voldoen.

Publieke stemming
Aanwezig: Jef Verbist, Danny Vangoidtsenhoven, Kamil Muyldermans, Rani Van Sever, Philippe Vervoort, Karin Devyver, Herman Depré, Katia della Faille de Leverghem, Gerda Vandenplas, Nicole Vanweddingen, Dominik Verhaegen, Jeroen Verheyden, Greta Veeckmans, Sofie Pletinckx, Ewoud Van der Auwera, Julie Vandenbossche, Ellen Camp, Inge Ronsmans, Sophie Tack, Valérie Tanghe, Caroline Peters
Voorstanders: Jef Verbist, Danny Vangoidtsenhoven, Kamil Muyldermans, Rani Van Sever, Philippe Vervoort, Karin Devyver, Herman Depré, Katia della Faille de Leverghem, Gerda Vandenplas, Nicole Vanweddingen, Dominik Verhaegen, Jeroen Verheyden, Greta Veeckmans, Sofie Pletinckx, Ewoud Van der Auwera, Julie Vandenbossche, Ellen Camp, Inge Ronsmans, Sophie Tack, Valérie Tanghe
Resultaat: Goedgekeurd met eenparigheid van stemmen.
Besluit

Artikel 1:

Met ingang van 1 januari 2026 en eindigend op 31 december 2031 wordt een gemeentebelasting gevestigd op tweede verblijven.

Artikel 2:

Als tweede verblijf wordt beschouwd elke woongelegenheid waarvan degene die er kan verblijven, voor deze woongelegenheid niet ingeschreven is in de bevolkingsregisters op 1 januari van het aanslagjaar, ongeacht het feit of het gaat om landhuizen, bungalows, appartementen, grote of kleine weekendhuizen of buitengoederen, optrekjes, chalets en alle andere vaste woongelegenheden , met inbegrip van de met chalets gelijkgestelde caravans.

Als tweede verblijf worden niet beschouwd :

  • de lokalen uitsluitend bestemd voor het uitoefenen van een beroepsactiviteit;
  • de verplaatsbare caravans en woonaanhangwagens, tenzij ze ten minste zes maanden van het belastingjaar opgesteld blijven;
  • de leegstaande woongelegenheden op 1 januari van het aanslagjaar volgend op een kalenderjaar waarin de bewoner ingeschreven was in de bevolkingsregisters.
  • de assistentiewoningen.

Artikel 3:

De belasting is verschuldigd door de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van het tweede verblijf op 1 januari van het aanslagjaar.  De belasting is ondeelbaar en verschuldigd voor het gehele aanslagjaar.

Artikel 4:

De belasting wordt vastgesteld op 1.500 euro per tweede verblijf.

Het bedrag is gekoppeld aan de evolutie van de ABEX-index en stemt overeen met de index van december 2025. Het bedrag wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het ABEX-indexcijfer van de maand december die aan de aanpassing voorafgaat.

Artikel 5:

De belasting wordt ingevorderd bij wege van een kohier dat vastgesteld en uitvoerbaar verklaard wordt door het college van burgemeester en schepenen.

Artikel 6:

De belastingplichtige ontvangt vanwege het gemeentebestuur een aangifteformulier dat door hem, behoorlijk ingevuld en ondertekend, uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar moet worden teruggestuurd.

De belastingplichtige die geen aangifteformulier heeft ontvangen, is gehouden, uiterlijk op 30 juni van het aanslagjaar aan het gemeentebestuur de voor de aanslag noodzakelijke gegevens ter beschikking te stellen.

De belastingplichtige is vrijgesteld van de voorgeschreven aangifteplicht, op voorwaarde dat hij/zij voor het vorige aanslagjaar voor dit tweede verblijf werd aangeslagen op basis van een tijdig, juist, volledig en nauwkeurig ingediend aangifteformulier of van ambtswege belast werd en hiertegen geen bezwaar indiende of waarvan het bezwaar niet werd ingewilligd.

De aangifte blijft geldig tot de opzegging schriftelijk wordt ingediend bij het gemeentebestuur.

Artikel 7:

Bij ontbreken van de aangifte voor de aangiftedatum, of bij onvolledige, onjuiste of onnauwkeurige aangifte wordt de belastingplichtige ambtshalve belast volgens de gegevens waarover het gemeentebestuur beschikt, onverminderd het recht van bezwaar en beroep.

Vooraleer over te gaan tot de ambtshalve vaststelling van de belasting, betekent het college aan de belastingplichtige, per aangetekend schrijven, de motieven om gebruik te maken van deze procedure, de elementen waarop de aanslag is gebaseerd evenals de wijze van bepaling van deze elementen en het bedrag van de belasting.

De belastingplichtige beschikt over een termijn van dertig dagen te rekenen van de derde werkdag die volgt op de verzending van die kennisgeving om zijn opmerkingen schriftelijk voor te dragen.

De ambtshalve vaststelling van de belastingaanslag kan slechts worden ingekohierd gedurende een periode van drie jaar volgend op 1 januari van het aanslagjaar.  Deze termijn wordt met twee jaar verlengd bij overtreding van het belastingverordening met het oogmerk te bedriegen of met de bedoeling schade te berokkenen. 

Artikel 8:

De belasting moet betaald worden binnen twee maanden na de overhandiging van het aanslagbiljet.

Artikel 9:

De belastingschuldige of zijn vertegenwoordiger kan een bezwaar indienen tegen deze belasting bij het college van burgemeester en schepenen, dat handelt als bestuursoverheid.

De bezwaren moeten schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gemotiveerd zijn.

De indiening moet, op straffe van verval, gebeuren binnen een termijn van drie maanden vanaf de derde werkdag volgend op de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of vanaf de kennisgeving van de aanslag.

Het college van burgemeester en schepenen of een personeelslid dat speciaal daarvoor is aangewezen, stuurt binnen vijftien kalenderdagen na de indiening van het bezwaarschrift een ontvangstmelding enerzijds naar de belastingschuldige en, in voorkomend geval, zijn vertegenwoordiger en anderzijds naar de financieel directeur. De ontvangstmelding kan via een duurzame drager worden gestuurd.

Artikel 10:

Dit reglement wordt overeenkomstig artikel 330 van het decreet lokaal bestuur aan de toezichthoudende overheid toegezonden.

Artikel 13:

Dit reglement wordt afgekondigd en bekend gemaakt overeenkomstig artikel 286, §1, 1° en artikel 287 van het decreet lokaal bestuur en treedt in werking op1 januari 2026.